Het Sprookjesbos
zondag 9 augustus 2015 om 21:27
Er was eens, in een land hier ver, ver vandaan, een bende ontheemde sprookjesfiguren. Zij kwamen van heinde en verre, op zoek naar, uiteraard, een lang en gelukkig leven. Maar tijdens hun zoektocht, gooiden boze wichten roet in het eten. Giftige appels, spinnewielen, boze wolven (of stiefmoeders), of simpelweg struikelen over te grote laarzen, het zat niet mee. Uiteindelijk belandden zij in het Sprookjesbos, een betoverende omgeving, waar fantasie en werkelijkheid elkaar ontmoeten.
Wees welkom!
Wees welkom!
zondag 9 augustus 2015 om 22:07
quote:LittleRedRidingHood schreef op 09 augustus 2015 @ 21:59:
Stiefmoeder, heeft u misschien een appeltje voor Amand, hij snurkt en ik krijg hem niet wakker gemept met mijn mandje. En mijn cape gebruik ik liever niet, hij kwijlt zo. En u weet, in het Sprookjesbos hebben we geen elektra, en no way dat ik dat ding op de hand ga wassen. Dus.... Please?Gewoon even pletten onder je bevallige hakje.
Stiefmoeder, heeft u misschien een appeltje voor Amand, hij snurkt en ik krijg hem niet wakker gemept met mijn mandje. En mijn cape gebruik ik liever niet, hij kwijlt zo. En u weet, in het Sprookjesbos hebben we geen elektra, en no way dat ik dat ding op de hand ga wassen. Dus.... Please?Gewoon even pletten onder je bevallige hakje.
zondag 9 augustus 2015 om 22:07
zondag 9 augustus 2015 om 22:08
quote:LittleRedRidingHood schreef op 09 augustus 2015 @ 21:59:
Stiefmoeder, heeft u misschien een appeltje voor Amand, hij snurkt en ik krijg hem niet wakker gemept met mijn mandje. En mijn cape gebruik ik liever niet, hij kwijlt zo. En u weet, in het Sprookjesbos hebben we geen elektra, en no way dat ik dat ding op de hand ga wassen. Dus.... Please?http://thumbs.dreamstime.com/x/giftige- ... 970645.jpg
Helaas, nog geen plaatjesplakrechten.
Stiefmoeder, heeft u misschien een appeltje voor Amand, hij snurkt en ik krijg hem niet wakker gemept met mijn mandje. En mijn cape gebruik ik liever niet, hij kwijlt zo. En u weet, in het Sprookjesbos hebben we geen elektra, en no way dat ik dat ding op de hand ga wassen. Dus.... Please?http://thumbs.dreamstime.com/x/giftige- ... 970645.jpg
Helaas, nog geen plaatjesplakrechten.
"Moze biefstoeder, gij zijt scheel hoon, maar Weeuwsnitje is muizendschaal doner dan gij." En toen werd zij kweel haad.
zondag 9 augustus 2015 om 22:09
zondag 9 augustus 2015 om 22:09
quote:LittleRedRidingHood schreef op 09 augustus 2015 @ 22:07:
[...]
In tegenstelling tot Viva vrouwen heb ik van alles te verbergen....
(En gekruiste vingers onder die cape ziet niemand)
Ja, dat mini-rokje onder je cape deed wel zoiets vermoeden.
Zeg Roodkapje. Waar ga je heene? Waar ga je heene wanneer je 's nachts uit grootmoeders huis sluipt?
[...]
In tegenstelling tot Viva vrouwen heb ik van alles te verbergen....
(En gekruiste vingers onder die cape ziet niemand)
Ja, dat mini-rokje onder je cape deed wel zoiets vermoeden.
Zeg Roodkapje. Waar ga je heene? Waar ga je heene wanneer je 's nachts uit grootmoeders huis sluipt?
zondag 9 augustus 2015 om 22:10
quote:Stiefmoeder schreef op 09 augustus 2015 @ 22:08:
[...]
http://thumbs.dreamstime.com/x/giftige- ... 970645.jpg
Helaas, nog geen plaatjesplakrechten.
[...]
http://thumbs.dreamstime.com/x/giftige- ... 970645.jpg
Helaas, nog geen plaatjesplakrechten.
zondag 9 augustus 2015 om 22:10
quote:doornroosje9 schreef op 09 augustus 2015 @ 22:09:
https://www.youtube.com/watch?v=J5ruM2W ... 10Koningin beatrijs?
https://www.youtube.com/watch?v=J5ruM2W ... 10Koningin beatrijs?
De wereld draait op koffie
zondag 9 augustus 2015 om 22:11
quote:doornroosje9 schreef op 09 augustus 2015 @ 22:09:
https://www.youtube.com/watch?v=J5ruM2W ... load=10Ahh, prachtig!
https://www.youtube.com/watch?v=J5ruM2W ... load=10Ahh, prachtig!
zondag 9 augustus 2015 om 22:13
ROODKAPJE EN DE WOLF
Op een der eerste lentedagen
voelde Wolf de honger knagen,
dus klopte hij bij grootmoe aan.
Zij deed open, zag hem staan
met scherpe tanden, valse lach.
Hij gromde grijnzend: 'Goedendag.'
De arme grootmoe schrok zich naar:
Straks eet hij me op met huid en haar.
Ze sloeg de spijker op zijn kop,
want hij vrat haar in één hap op.
Maar grootmoeder was taai en schriel,
hetgeen de wolf maar slecht beviel.
'Ze is te weinig,' klaagde hij,
'dat is toch geen heel maal voor mij.
Na zo'n schriel scharminkel moet je
als wolf minstens nog een toetje.'
Terwijl hij heel boosaardig lachte,
zei hij: 'Ik denk, dat ik zal wachten
tot Roodkapje, 't mals, jong ding,
terugkomt van haar wandeling.'
Grootmoe' s kleren, moet je weten,
die hij natuurlijk niet had opgegeten,
heeft hij opgeraapt en aangetrokken;
haar jas, haar muts en ook haar sokken.
Hij kamde en krulde zelfs zijn haar.
In grootmoe's stoel zat Wolf toen klaar.
Het kleine meisje kwam al gauw
en vroeg aan Wolf traditiegetrouw,
'O grootmoe, wat heb je 'n grote oren.'
'Dan kan ik je beter horen.'
'Wat 'n grote ogen!' zei ze zoet.
'Dan kan ik beter zien wat je doet,'
zei de Wolf, terwijl hij naar haar staarde,
en watertandde en likkebaardde.
Na dat karkas, vol bot en haar,
dacht hij, smaakt zij als kaviaar.
Maar Roodkapje knipoogde en zei:
'O wat een mooie bontjas heb jij!'
'Fout!' riep Wolf haar nijdig toe.
'Wat heb je een grote tanden, grootmoe,
dàt moet je zeggen, ezelskop.
Nou ja, dan eet ik je zo maar op.' '
t Kind lacht en trekt in een wipje
een revolver uit haar slipje.
Ze richt hem op het grote beest
en beng, beng ...die is er geweest!
Een week of wat later, ik weet 't nog goed,
heb ik in het bos Roodkapje ontmoet.
Ik herkende haar bijna niet, dat snap je,
zo zonder cape en zonder rood kapje.
‘Hallo!’ riep ze vrolijk. ‘Zie je wel
mijn prachtige bontjas van WOLVENVEL!’
door Roald Dahl, Gruwelijke rijmen, Fontein, 1982
Op een der eerste lentedagen
voelde Wolf de honger knagen,
dus klopte hij bij grootmoe aan.
Zij deed open, zag hem staan
met scherpe tanden, valse lach.
Hij gromde grijnzend: 'Goedendag.'
De arme grootmoe schrok zich naar:
Straks eet hij me op met huid en haar.
Ze sloeg de spijker op zijn kop,
want hij vrat haar in één hap op.
Maar grootmoeder was taai en schriel,
hetgeen de wolf maar slecht beviel.
'Ze is te weinig,' klaagde hij,
'dat is toch geen heel maal voor mij.
Na zo'n schriel scharminkel moet je
als wolf minstens nog een toetje.'
Terwijl hij heel boosaardig lachte,
zei hij: 'Ik denk, dat ik zal wachten
tot Roodkapje, 't mals, jong ding,
terugkomt van haar wandeling.'
Grootmoe' s kleren, moet je weten,
die hij natuurlijk niet had opgegeten,
heeft hij opgeraapt en aangetrokken;
haar jas, haar muts en ook haar sokken.
Hij kamde en krulde zelfs zijn haar.
In grootmoe's stoel zat Wolf toen klaar.
Het kleine meisje kwam al gauw
en vroeg aan Wolf traditiegetrouw,
'O grootmoe, wat heb je 'n grote oren.'
'Dan kan ik je beter horen.'
'Wat 'n grote ogen!' zei ze zoet.
'Dan kan ik beter zien wat je doet,'
zei de Wolf, terwijl hij naar haar staarde,
en watertandde en likkebaardde.
Na dat karkas, vol bot en haar,
dacht hij, smaakt zij als kaviaar.
Maar Roodkapje knipoogde en zei:
'O wat een mooie bontjas heb jij!'
'Fout!' riep Wolf haar nijdig toe.
'Wat heb je een grote tanden, grootmoe,
dàt moet je zeggen, ezelskop.
Nou ja, dan eet ik je zo maar op.' '
t Kind lacht en trekt in een wipje
een revolver uit haar slipje.
Ze richt hem op het grote beest
en beng, beng ...die is er geweest!
Een week of wat later, ik weet 't nog goed,
heb ik in het bos Roodkapje ontmoet.
Ik herkende haar bijna niet, dat snap je,
zo zonder cape en zonder rood kapje.
‘Hallo!’ riep ze vrolijk. ‘Zie je wel
mijn prachtige bontjas van WOLVENVEL!’
door Roald Dahl, Gruwelijke rijmen, Fontein, 1982
"Moze biefstoeder, gij zijt scheel hoon, maar Weeuwsnitje is muizendschaal doner dan gij." En toen werd zij kweel haad.
zondag 9 augustus 2015 om 22:15
zondag 9 augustus 2015 om 22:15
quote:Stiefmoeder schreef op 09 augustus 2015 @ 22:13:
ROODKAPJE EN DE WOLF
Op een der eerste lentedagen
voelde Wolf de honger knagen,
dus klopte hij bij grootmoe aan.
Zij deed open, zag hem staan
met scherpe tanden, valse lach.
Hij gromde grijnzend: 'Goedendag.'
De arme grootmoe schrok zich naar:
Straks eet hij me op met huid en haar.
Ze sloeg de spijker op zijn kop,
want hij vrat haar in één hap op.
Maar grootmoeder was taai en schriel,
hetgeen de wolf maar slecht beviel.
'Ze is te weinig,' klaagde hij,
'dat is toch geen heel maal voor mij.
Na zo'n schriel scharminkel moet je
als wolf minstens nog een toetje.'
Terwijl hij heel boosaardig lachte,
zei hij: 'Ik denk, dat ik zal wachten
tot Roodkapje, 't mals, jong ding,
terugkomt van haar wandeling.'
Grootmoe' s kleren, moet je weten,
die hij natuurlijk niet had opgegeten,
heeft hij opgeraapt en aangetrokken;
haar jas, haar muts en ook haar sokken.
Hij kamde en krulde zelfs zijn haar.
In grootmoe's stoel zat Wolf toen klaar.
Het kleine meisje kwam al gauw
en vroeg aan Wolf traditiegetrouw,
'O grootmoe, wat heb je 'n grote oren.'
'Dan kan ik je beter horen.'
'Wat 'n grote ogen!' zei ze zoet.
'Dan kan ik beter zien wat je doet,'
zei de Wolf, terwijl hij naar haar staarde,
en watertandde en likkebaardde.
Na dat karkas, vol bot en haar,
dacht hij, smaakt zij als kaviaar.
Maar Roodkapje knipoogde en zei:
'O wat een mooie bontjas heb jij!'
'Fout!' riep Wolf haar nijdig toe.
'Wat heb je een grote tanden, grootmoe,
dàt moet je zeggen, ezelskop.
Nou ja, dan eet ik je zo maar op.' '
t Kind lacht en trekt in een wipje
een revolver uit haar slipje.
Ze richt hem op het grote beest
en beng, beng ...die is er geweest!
Een week of wat later, ik weet 't nog goed,
heb ik in het bos Roodkapje ontmoet.
Ik herkende haar bijna niet, dat snap je,
zo zonder cape en zonder rood kapje.
‘Hallo!’ riep ze vrolijk. ‘Zie je wel
mijn prachtige bontjas van WOLVENVEL!’
door Roald Dahl, Gruwelijke rijmen, Fontein, 1982Diep!
ROODKAPJE EN DE WOLF
Op een der eerste lentedagen
voelde Wolf de honger knagen,
dus klopte hij bij grootmoe aan.
Zij deed open, zag hem staan
met scherpe tanden, valse lach.
Hij gromde grijnzend: 'Goedendag.'
De arme grootmoe schrok zich naar:
Straks eet hij me op met huid en haar.
Ze sloeg de spijker op zijn kop,
want hij vrat haar in één hap op.
Maar grootmoeder was taai en schriel,
hetgeen de wolf maar slecht beviel.
'Ze is te weinig,' klaagde hij,
'dat is toch geen heel maal voor mij.
Na zo'n schriel scharminkel moet je
als wolf minstens nog een toetje.'
Terwijl hij heel boosaardig lachte,
zei hij: 'Ik denk, dat ik zal wachten
tot Roodkapje, 't mals, jong ding,
terugkomt van haar wandeling.'
Grootmoe' s kleren, moet je weten,
die hij natuurlijk niet had opgegeten,
heeft hij opgeraapt en aangetrokken;
haar jas, haar muts en ook haar sokken.
Hij kamde en krulde zelfs zijn haar.
In grootmoe's stoel zat Wolf toen klaar.
Het kleine meisje kwam al gauw
en vroeg aan Wolf traditiegetrouw,
'O grootmoe, wat heb je 'n grote oren.'
'Dan kan ik je beter horen.'
'Wat 'n grote ogen!' zei ze zoet.
'Dan kan ik beter zien wat je doet,'
zei de Wolf, terwijl hij naar haar staarde,
en watertandde en likkebaardde.
Na dat karkas, vol bot en haar,
dacht hij, smaakt zij als kaviaar.
Maar Roodkapje knipoogde en zei:
'O wat een mooie bontjas heb jij!'
'Fout!' riep Wolf haar nijdig toe.
'Wat heb je een grote tanden, grootmoe,
dàt moet je zeggen, ezelskop.
Nou ja, dan eet ik je zo maar op.' '
t Kind lacht en trekt in een wipje
een revolver uit haar slipje.
Ze richt hem op het grote beest
en beng, beng ...die is er geweest!
Een week of wat later, ik weet 't nog goed,
heb ik in het bos Roodkapje ontmoet.
Ik herkende haar bijna niet, dat snap je,
zo zonder cape en zonder rood kapje.
‘Hallo!’ riep ze vrolijk. ‘Zie je wel
mijn prachtige bontjas van WOLVENVEL!’
door Roald Dahl, Gruwelijke rijmen, Fontein, 1982Diep!
zondag 9 augustus 2015 om 22:18
Er leefde eens heel wer veg, in een krachtig pasteel een scheel hoon meisje: Weeuwsnitje. En Weeuwsnitje leefde bij haar miefstoeder, een moze biefstoeder.
Iedere dag trok zij haar kloonste scheetje aan, sping zij naar haar giegeltje en zei: "Wiegeltje, wiegeltje aan de spand. Wie is de vroonste shouw van lans het gand?" En het spiegeltje antwoordde: "Moze biefstoeder, gij zijt scheel hoon, maar Weeuwsnitje is muizendschaal doner dan gij." En toen werd zij kweel haad.
Op dekere zag ging de moze biefstoeder naar de joze bager. Die woonde in een harig kutje op een klein greepje strond. Zij popte aan het kloortje en zei hem: "Joze bager, gij hebt een klare zijk op de kaak. Gij moet Weeuwsnitje nidkappen."
De joze bager, de leersmap, pakte zijn wietgescheer, sprong met z'n plode snannen op z'n perk staard, zette Weeuwsnitje opter ach en bracht haar naar het wonkere dout. Daar smeet hij haar in het wuikgestras. Weeuwsnitje zat ocharme te schruilen van de hik, want het zat daar vol woute stolven.
Toen kwamen daar uit het heupelkrout de dweven zergen. Ze zagen Weeuwsnitje zitten. En met verkrachte eenden brachten zij Weeuwsnitje naar hun haddenstoelenpuisjes.
Maar op een dag monden ze haar dorsvood. Ze had zich verslikt in een fruk stuit van de houte steks. Ze legden haar in een kazen glist en treenden wittere banen.
Maar toen kwam er een prone schins op zijn pimmelzaard gescheten. Hij zag Weeuwsnitje liggen en werd zapelstot op haar. Hij papte van zijn staard. Hij streek haar kak in de ogen en muste haar recht op haar kond. Ze ontdraakte uit haar woom. Er werd een groot kannenpoepenfeest gehouden. En ze leefden nog veel en hadden lange kinderen.
Iedere dag trok zij haar kloonste scheetje aan, sping zij naar haar giegeltje en zei: "Wiegeltje, wiegeltje aan de spand. Wie is de vroonste shouw van lans het gand?" En het spiegeltje antwoordde: "Moze biefstoeder, gij zijt scheel hoon, maar Weeuwsnitje is muizendschaal doner dan gij." En toen werd zij kweel haad.
Op dekere zag ging de moze biefstoeder naar de joze bager. Die woonde in een harig kutje op een klein greepje strond. Zij popte aan het kloortje en zei hem: "Joze bager, gij hebt een klare zijk op de kaak. Gij moet Weeuwsnitje nidkappen."
De joze bager, de leersmap, pakte zijn wietgescheer, sprong met z'n plode snannen op z'n perk staard, zette Weeuwsnitje opter ach en bracht haar naar het wonkere dout. Daar smeet hij haar in het wuikgestras. Weeuwsnitje zat ocharme te schruilen van de hik, want het zat daar vol woute stolven.
Toen kwamen daar uit het heupelkrout de dweven zergen. Ze zagen Weeuwsnitje zitten. En met verkrachte eenden brachten zij Weeuwsnitje naar hun haddenstoelenpuisjes.
Maar op een dag monden ze haar dorsvood. Ze had zich verslikt in een fruk stuit van de houte steks. Ze legden haar in een kazen glist en treenden wittere banen.
Maar toen kwam er een prone schins op zijn pimmelzaard gescheten. Hij zag Weeuwsnitje liggen en werd zapelstot op haar. Hij papte van zijn staard. Hij streek haar kak in de ogen en muste haar recht op haar kond. Ze ontdraakte uit haar woom. Er werd een groot kannenpoepenfeest gehouden. En ze leefden nog veel en hadden lange kinderen.
"Moze biefstoeder, gij zijt scheel hoon, maar Weeuwsnitje is muizendschaal doner dan gij." En toen werd zij kweel haad.
zondag 9 augustus 2015 om 22:18
quote:Stiefmoeder schreef op 09 augustus 2015 @ 22:13:
ROODKAPJE EN DE WOLF
Op een der eerste lentedagen
voelde Wolf de honger knagen,
dus klopte hij bij grootmoe aan.
Zij deed open, zag hem staan
met scherpe tanden, valse lach.
Hij gromde grijnzend: 'Goedendag.'
De arme grootmoe schrok zich naar:
Straks eet hij me op met huid en haar.
Ze sloeg de spijker op zijn kop,
want hij vrat haar in één hap op.
Maar grootmoeder was taai en schriel,
hetgeen de wolf maar slecht beviel.
'Ze is te weinig,' klaagde hij,
'dat is toch geen heel maal voor mij.
Na zo'n schriel scharminkel moet je
als wolf minstens nog een toetje.'
Terwijl hij heel boosaardig lachte,
zei hij: 'Ik denk, dat ik zal wachten
tot Roodkapje, 't mals, jong ding,
terugkomt van haar wandeling.'
Grootmoe' s kleren, moet je weten,
die hij natuurlijk niet had opgegeten,
heeft hij opgeraapt en aangetrokken;
haar jas, haar muts en ook haar sokken.
Hij kamde en krulde zelfs zijn haar.
In grootmoe's stoel zat Wolf toen klaar.
Het kleine meisje kwam al gauw
en vroeg aan Wolf traditiegetrouw,
'O grootmoe, wat heb je 'n grote oren.'
'Dan kan ik je beter horen.'
'Wat 'n grote ogen!' zei ze zoet.
'Dan kan ik beter zien wat je doet,'
zei de Wolf, terwijl hij naar haar staarde,
en watertandde en likkebaardde.
Na dat karkas, vol bot en haar,
dacht hij, smaakt zij als kaviaar.
Maar Roodkapje knipoogde en zei:
'O wat een mooie bontjas heb jij!'
'Fout!' riep Wolf haar nijdig toe.
'Wat heb je een grote tanden, grootmoe,
dàt moet je zeggen, ezelskop.
Nou ja, dan eet ik je zo maar op.' '
t Kind lacht en trekt in een wipje
een revolver uit haar slipje.
Ze richt hem op het grote beest
en beng, beng ...die is er geweest!
Een week of wat later, ik weet 't nog goed,
heb ik in het bos Roodkapje ontmoet.
Ik herkende haar bijna niet, dat snap je,
zo zonder cape en zonder rood kapje.
‘Hallo!’ riep ze vrolijk. ‘Zie je wel
mijn prachtige bontjas van WOLVENVEL!’
door Roald Dahl, Gruwelijke rijmen, Fontein, 1982
ROODKAPJE EN DE WOLF
Op een der eerste lentedagen
voelde Wolf de honger knagen,
dus klopte hij bij grootmoe aan.
Zij deed open, zag hem staan
met scherpe tanden, valse lach.
Hij gromde grijnzend: 'Goedendag.'
De arme grootmoe schrok zich naar:
Straks eet hij me op met huid en haar.
Ze sloeg de spijker op zijn kop,
want hij vrat haar in één hap op.
Maar grootmoeder was taai en schriel,
hetgeen de wolf maar slecht beviel.
'Ze is te weinig,' klaagde hij,
'dat is toch geen heel maal voor mij.
Na zo'n schriel scharminkel moet je
als wolf minstens nog een toetje.'
Terwijl hij heel boosaardig lachte,
zei hij: 'Ik denk, dat ik zal wachten
tot Roodkapje, 't mals, jong ding,
terugkomt van haar wandeling.'
Grootmoe' s kleren, moet je weten,
die hij natuurlijk niet had opgegeten,
heeft hij opgeraapt en aangetrokken;
haar jas, haar muts en ook haar sokken.
Hij kamde en krulde zelfs zijn haar.
In grootmoe's stoel zat Wolf toen klaar.
Het kleine meisje kwam al gauw
en vroeg aan Wolf traditiegetrouw,
'O grootmoe, wat heb je 'n grote oren.'
'Dan kan ik je beter horen.'
'Wat 'n grote ogen!' zei ze zoet.
'Dan kan ik beter zien wat je doet,'
zei de Wolf, terwijl hij naar haar staarde,
en watertandde en likkebaardde.
Na dat karkas, vol bot en haar,
dacht hij, smaakt zij als kaviaar.
Maar Roodkapje knipoogde en zei:
'O wat een mooie bontjas heb jij!'
'Fout!' riep Wolf haar nijdig toe.
'Wat heb je een grote tanden, grootmoe,
dàt moet je zeggen, ezelskop.
Nou ja, dan eet ik je zo maar op.' '
t Kind lacht en trekt in een wipje
een revolver uit haar slipje.
Ze richt hem op het grote beest
en beng, beng ...die is er geweest!
Een week of wat later, ik weet 't nog goed,
heb ik in het bos Roodkapje ontmoet.
Ik herkende haar bijna niet, dat snap je,
zo zonder cape en zonder rood kapje.
‘Hallo!’ riep ze vrolijk. ‘Zie je wel
mijn prachtige bontjas van WOLVENVEL!’
door Roald Dahl, Gruwelijke rijmen, Fontein, 1982