
Waarom heet pijpen, pijpen?

maandag 27 december 2010 om 22:53
beffen
M. Philippa e.a. (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands
beffen ww. ‘met de mond het vrouwelijk geslachtsdeel stimuleren’
Nnl. beffen ‘id.’ [1972; WNT Aanv.].
Afleiding van het zn. (Bargoens) bef ‘vulva’ (ook nnd. beff ‘id.’ [1510; Endt]), bijv. in Heé Nelis, ga je nu nog an de bef vannacht [1972; Heestermans, 1980]. Men zou hier kunnen denken aan een overdrachtelijk gebruik van het zn. dat verschijnt als mnl. beffe ‘muts’, vnnl. beffe ‘muts, kraag’, zie → bef; mnd. beffe ‘koormuts, koormantel’, zoals ook nnl. muts fungeert als benaming voor het vrouwelijk geslachtsdeel. Verband met vnhd. Befze ‘lip’ en Spaans befo (bn.) ‘met dikke lippen’, (zn.) ‘onderlip van een paard’ is twijfelachtig.
N. van der Sijs (2001), Chronologisch Woordenboek
beffen cunnilingus bedrijven 1972 [Aanv WNT] <?
P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Van Dale Etymologisch woordenboek
beffen [cunnilingus bedrijven] {na 1950} van bef2.
J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal
beffen ono.w. (bassen), + Hgd. baffen, Meng. baffen, is hetzelfde als baffen met e = ä.
M. Philippa e.a. (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands
beffen ww. ‘met de mond het vrouwelijk geslachtsdeel stimuleren’
Nnl. beffen ‘id.’ [1972; WNT Aanv.].
Afleiding van het zn. (Bargoens) bef ‘vulva’ (ook nnd. beff ‘id.’ [1510; Endt]), bijv. in Heé Nelis, ga je nu nog an de bef vannacht [1972; Heestermans, 1980]. Men zou hier kunnen denken aan een overdrachtelijk gebruik van het zn. dat verschijnt als mnl. beffe ‘muts’, vnnl. beffe ‘muts, kraag’, zie → bef; mnd. beffe ‘koormuts, koormantel’, zoals ook nnl. muts fungeert als benaming voor het vrouwelijk geslachtsdeel. Verband met vnhd. Befze ‘lip’ en Spaans befo (bn.) ‘met dikke lippen’, (zn.) ‘onderlip van een paard’ is twijfelachtig.
N. van der Sijs (2001), Chronologisch Woordenboek
beffen cunnilingus bedrijven 1972 [Aanv WNT] <?
P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Van Dale Etymologisch woordenboek
beffen [cunnilingus bedrijven] {na 1950} van bef2.
J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal
beffen ono.w. (bassen), + Hgd. baffen, Meng. baffen, is hetzelfde als baffen met e = ä.
Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.

maandag 27 december 2010 om 22:54
condoom zn. ‘voorbehoedmiddel’
Nnl. condoom [1847; Kramers].
Wrsch. ontleend aan Engels condom ‘id.’, met als oudste vindplaats condum [1706; OED]. De verdere herkomst is onzeker. Volgens de algemene hypothese is het condoom genoemd naar de vermoedelijke uitvinder, een dokter Condum, Condon of Cundum, naar de oudste vindplaatsen in het OED, die ten tijde van koning Charles II (1660-1685) zou hebben geleefd. Van een arts met die naam zijn echter geen sporen bekend. Anderen denken aan verband met Latijn condus ‘bewaarder’, condomāre ‘temmen’ of middeleeuws Latijn conduma ‘huis’.
Lit.: M. De Coster (1998) ‘Voeten wassen met je sokken aan. De geschiedenis van het condoom’, in: Trefwoord 13, 192-196; Sanders 1993, 58-59; Grauls 2001, 71-72
http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/condoom
Nnl. condoom [1847; Kramers].
Wrsch. ontleend aan Engels condom ‘id.’, met als oudste vindplaats condum [1706; OED]. De verdere herkomst is onzeker. Volgens de algemene hypothese is het condoom genoemd naar de vermoedelijke uitvinder, een dokter Condum, Condon of Cundum, naar de oudste vindplaatsen in het OED, die ten tijde van koning Charles II (1660-1685) zou hebben geleefd. Van een arts met die naam zijn echter geen sporen bekend. Anderen denken aan verband met Latijn condus ‘bewaarder’, condomāre ‘temmen’ of middeleeuws Latijn conduma ‘huis’.
Lit.: M. De Coster (1998) ‘Voeten wassen met je sokken aan. De geschiedenis van het condoom’, in: Trefwoord 13, 192-196; Sanders 1993, 58-59; Grauls 2001, 71-72
http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/condoom
Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.
maandag 27 december 2010 om 22:56
neuken ww. ‘geslachtsgemeenschap hebben’
Vnnl. om sijns eijsers vrou (‘de vrouw van de eiser in een rechtzaak’) eens te mogen neuken [1653; Van der Sijs 2006b].
Nnd. nöken, nucken ‘stoten’; on. hnykkja ‘trekken, rukken’ (nzw. dial. nycka, nde. nykke ‘stoten’); < pgm. *hnukjan-.
Uit de verwante Nederduitse en Noord-Germaanse woorden blijkt dat de oorspr. betekenis van dit woord ‘stoten, rukken e.d.’ geweest moet zijn. Deze betekenis is in oude Nederlandse teksten niet geattesteerd, maar blijkt indirect nog wel uit Afrikaans neuk (ww.) ‘hard slaan, hard gooien, vallen’ en uit de betekenis van neuken ‘stoten; bedriegen; zeuren; hinderen’ [eind 19e eeuw; WNT]. Ook Duits bumsen ‘neuken’ betekent eigenlijk ‘stoten’.
Vroege attestaties van neuken in de huidige betekenis komen vooral voor in rechtbankverslagen; het Nederlandse woord is kennelijk altijd als zeer plat beschouwd. De eerste vermelding in een woordenboek is neuken “beslapen, vleeschelijke gemeenschap met eene vrouw hebben” [1898; Van Dale].
Het woord was lange tijd uitsluitend NN, maar raakte sinds eind 20e eeuw ook bekender in het BN, alwaar het het synoniem poepen verdringt.
Lit.: N. v.d. Sijs (2006), Calendarium van de Nederlandse taal: de geschiedenis van het Nederlands in jaartallen, Den Haag, 219-220
Vnnl. om sijns eijsers vrou (‘de vrouw van de eiser in een rechtzaak’) eens te mogen neuken [1653; Van der Sijs 2006b].
Nnd. nöken, nucken ‘stoten’; on. hnykkja ‘trekken, rukken’ (nzw. dial. nycka, nde. nykke ‘stoten’); < pgm. *hnukjan-.
Uit de verwante Nederduitse en Noord-Germaanse woorden blijkt dat de oorspr. betekenis van dit woord ‘stoten, rukken e.d.’ geweest moet zijn. Deze betekenis is in oude Nederlandse teksten niet geattesteerd, maar blijkt indirect nog wel uit Afrikaans neuk (ww.) ‘hard slaan, hard gooien, vallen’ en uit de betekenis van neuken ‘stoten; bedriegen; zeuren; hinderen’ [eind 19e eeuw; WNT]. Ook Duits bumsen ‘neuken’ betekent eigenlijk ‘stoten’.
Vroege attestaties van neuken in de huidige betekenis komen vooral voor in rechtbankverslagen; het Nederlandse woord is kennelijk altijd als zeer plat beschouwd. De eerste vermelding in een woordenboek is neuken “beslapen, vleeschelijke gemeenschap met eene vrouw hebben” [1898; Van Dale].
Het woord was lange tijd uitsluitend NN, maar raakte sinds eind 20e eeuw ook bekender in het BN, alwaar het het synoniem poepen verdringt.
Lit.: N. v.d. Sijs (2006), Calendarium van de Nederlandse taal: de geschiedenis van het Nederlands in jaartallen, Den Haag, 219-220
Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.

maandag 27 december 2010 om 23:06
